De auto

autoIlse werkte afgelopen zomer mee aan de tentoonstelling van Gasthoven invites, de tweejaarlijkse tentoonstelling van CC Het Gasthuis rond hedendaagse kunst, deze keer rond de 173 burgerslachtoffers van WOI te Aarschot.  Ze schreef ‘De auto’, een aangrijpend kortverhaal over de 19-jarige Henri dat je hier kan lezen…

 

De auto

 

Mijn naam is Ludovicus Henricus De Keyzer, 19 jaar, genoemd naar mijn vader, maar Henri voor mijn makkers en iedereen die me kent.

Met ons negenen, mijn moeder, vader, broers en zussen en ik, wonen we in de Nieuwstraat in Aarschot, een klein stadje aan de Demer.

We zijn niet rijk, maar we hebben het goed en komen rond, net zoals bijna iedereen in onze straat.

Vader is wever van beroep.  Voorlopig ga ik mee naar de fabriek, maar de dagen zijn lang en het loon is karig.

Ik wil meer dan alleen maar werken.

Ik wil weg van hier, de wijde wereld in, al zeg ik dat niet tegen hem.

Hij zou me toch nooit begrijpen.

Vader vindt me een dromer en dromen leveren niks op, zo beweert hij.

Later wil ik autocoureur worden.  Koersen winnen en rijk worden.

Net als René Thomas.

Een kozijn van me is net met de boot wedergekeerd uit Amerika en heeft een prentkaart meegebracht met Thomas op, poserend naast zijn Delage… De kaart is mijn kostbaarste bezit, ik draag ze altijd bij me.

Later wil ik ook de plas over, de wereld zien.

 

Toch durf ik de laatste tijd minder en minder over later te peinzen en ben ik vooral met het nu bezig.  In het verre Oosten is een monster ontwaakt dat oorlog heet, de gazetten staan er vol van.  Ik lag er eerst niet wakker van, maar sinds enkele dagen zijn de Duitsers onze contreien binnengevallen en dat nieuws vervult iedereen hier met angst en afschuw.

Er is sprake van plunderingen, brandstichting en andere baldadigheden.

Als nog maar de helft waar is van wat mijn kameraad uit Herselt me gisteren vertelde over wat de binnenvallende troepen daar hebben aangericht… Ik denk er maar liever niet aan en ook thuis heb ik er niets over gezegd. Mijn zusters durven nu al amper de straat op.

 

Bij het krieken van de dag heb ik er een paar gezien.

Duitsers.

Vijanden.

De vijand.

Onze burgemeester heeft gezegd dat we hen alles moeten geven wat ze vragen.

Ik hoop dat ze rap weg zijn.

 

Alles is zo veranderd en ik wil dat alles snel weer bij het oude is.  Het voelt alsof mijn jeugd in een paar dagen voorbijgegleden is.

Volgens de laatste berichten houdt ons landje dapper stand, maar niemand weet wat de toekomst brengen zal.

 

 

Het is heet vandaag, 19 augustus in het jaar des heren 1914.  Mijn donkerbruine lokken plakken tegen mijn gezicht, moeder heeft al wel tien keer gezegd dat mijn haar te lang is.

Het gaat onweren en stormen, zegden ze bij de bakker.

Zoals altijd is het druk in onze straat, en ik kan niet precies zeggen wat, maar er is iets veranderd.  Je ziet het aan de mensen hun ogen.  Ze kijken schichtig en gedreven door een zekere paranoia, duwen ze hun volgeladen kruiwagens als nijverige mieren vooruit.

De sfeer was nog nooit zo gespannen.

Men beweert graag dat de oorlog tegen Kerstmis gedaan zal zijn.

Laat ons daarvoor bidden, want het beest houdt ons allemaal in zijn greep.

 

Op een paar uur tijd is de gespannen situatie helemaal geëscaleerd.

Het gerucht doet de ronde dat een Duitse kolonel door iemand van ons is doodgeschoten op de markt en de Duitsers zijn razend.  Wat volgde is een enorme paniek en een zee van geweld.  De Duitsers hebben ons Aarschottenaren in groepen als vee bijeengedreven.

De eerste groep is weggebracht.

De koorts stijgt.  Aarschot zal bloeden.

We kunnen geen kant op en ik voel me misselijk.

Kinderen huilen en de vrouwen zijn wanhopig.

Hier en daar staat een huis in brand.

Het lawaai is overdonderend.

Plots, te midden van alle tumult, merk ik mijn vader op.  Zijn gelaatskleur is grauw, zijn hemd is opengescheurd en plakt tegen zijn tengere borstkas.

“ Vader, vader!”

Ik wil roepen, maar mijn stem is schor en er komt haast geen enkel geluid uit mijn keel.

Als bij wonder ziet hij me.

Hij wenkt me met zijn ogen, die vol tranen schieten.

“ Ludovicus, mijn zoon, …”

Zo noemde hij me nog nooit.

Zijn gemoed schiet vol.  Ik voel me ongemakkelijk, maar niemand let op ons.

Vader wil me omhelzen, maar het strakke touw rond zijn handen belet het hem .  Het treft me diep hem, naar wie ik zo opkeek, zo machteloos te zien.

 

Dit is de eerste en tevens de laatste keer dat ik mijn vader zie wenen.

Zijn stem breekt, maar ik versta duidelijk wat hij me zegt.

“ Herinner je het goede, jongen, herinner je het goede.”

Ik heb geen tijd om over zijn woorden, misschien wel zijn laatste, na te denken.  Een geweerkolf in de hand van een schreeuwende barbaar duwt me verder in de menigte en een van zijn kompanen bindt mijn handen ruw vast.

Ik voel stralen warm bloed over mijn polsen lopen, maar ik voel de pijn niet.

Het goede, het goede… Vaders woorden zinderen na.

Het moet twee zondagen geleden zijn, het lijkt wel een eeuwigheid, dat de pastoor in zijn preek zei dat in iedere mens iets goeds zit.

Dat mag hij nu eens komen herhalen.

Ik zie alleen maar schreeuwende en dronken geüniformeerde bruten die de smeekbeden van de vrouwen op het plein negeren en als beesten, neen, erger dan beesten, lijken te genieten van het spoor van geweld en vernieling dat ze achterlaten.

Ze spreken onze taal niet, maar ze zien toch ook wat wij willen: vrede en rust, net zoals ieder mens.  Zij zijn toch ook mensen?

Neen, dit zijn geen mensen.  Beesten zijn het.

Dit gaat mijn verstand te boven.

Aarschot kreunt, brandt en smeult en ik heb het moeilijk me in het gewoel te oriënteren.

Je voelt en ruikt de woede en opstandigheid van onze mannen, die zoveel sterker zijn dan al die smerige Duitse wapens, maar ze toch niet de baas kunnen.

 

De massa voor me begint te bewegen.  De Duitsers, die er voor mij opeens allemaal hetzelfde uitzien, brullen onverstaanbare bevelen en jagen ons voorop.

Vader zit ook in onze groep, net zoals zovele bekenden uit de buurt.  Dat ze hem maar geen zeer doen, hij sukkelt al zo met zijn rug… Het is snikheet, maar alles voelt koud aan.

Wat gaat er met ons gebeuren? Tegen zoveel geweld maken we geen schijn van kans.  De Duitsers bekijken ons alsof we de grootste misdadigers zijn.  Sommigen onder hen zijn niet ouder dan ikzelf.

We hebben hen toch niets misdaan?

Mijn bloed kookt, maar mijn benen wankelen.

Na lang stappen bereiken we een grote boerderij.  De Duitsers gebieden ons ergens in een weiland te gaan zitten en ik doe net als iedereen wat er bevolen wordt.

Niemand zegt een woord en iedereen is diep in gedachten verzonken.  Iedereen denkt aan thuis.  Ik zie moeder voor me, hoe ze vanmorgen eieren bakte en naar me lachte.

Ik hoop dat ze zich niet te veel zorgen maakt nu en bij mijn broers en zussen is.  De uren glijden voorbij en de zon zakt steeds dieper weg.

Ik heb geen besef van tijd meer…

 

De nacht valt en we zijn doodop, maar geen van ons kan de slaap nu vatten.

Het is moeilijk om me te verplaatsen gezien mijn handen nog gebonden zijn.  Wanneer ik het toch probeer, voel ik een stekende pijn aan mijn schouders.

 

 

Fel licht breekt mijn ogen open.

In de verte kondigt een haan de nieuwe dag aan.

Mijn mond is droog en mijn keel schuurt.

 

Het gebrul begint opnieuw.

Mijn hoofd barst.

Diegenen onder ons die van pure vermoeidheid toch even indommelden, zijn meteen klaarwakker.  We moeten op rijen gaan staan en het valt me moeilijk om mijn evenwicht te bewaren.

Mijn ogen zoeken vader, maar ik zie hem niet.

De warme wind blaast op mijn gezicht.  Ik sluit mijn ogen en stel me voor dat ik in een echte auto zit.  Zo, te midden van alle waanzin, sluit ik me even af van de rest.  De auto gaat steeds sneller en sneller.  Mijn handen ballen zich tot vuisten en houden het lederen stuur krampachtig vast.

Ik kijk niet links of rechts van me, want daar is het ravijn dat realiteit heet.  Alleen ik en mijn wagen.

De scherpe bochten dwingen me om voor me te kijken.

Ik glimlach en voel de opgedroogde modder op mijn wangen zachtjes kraken.  Schelle stemmen verstoren mijn gedachten opnieuw en opnieuw, hoe ik ook probeer.

Doffe knallen komen steeds dichterbij.